NL
.
Opgroeien als meisje van kleur in een witte wereld, hoe doe je dat?
Bron: www.nrc.nl
Opgroeien als meisje van kleur in een witte wereld, hoe doe je dat?
Toen de Britse schrijfster Bernardine Evaristo (Woolwich, 1959) vijftien was, maakte een meisje uit haar klas een sociologiewerkstuk waarvoor ze de helft van de meisjes in de klas vroeg of ze naast een 'gekleurd' gezin zouden willen wonen. Opgewekt liep het meisje met het resultaat op Evaristo af met de mededeling dat 75 procent van de ondervraagden die vraag met 'nee' had beantwoord. 'Die boodschap en de boodschapper zijn me altijd bijgebleven', schrijft Evaristo in Geef nooit op. Nooit had ze moeite op school met het vinden van vriendinnen. Nu werd haar ingepeperd dat de meerderheid van haar klasgenoten mensen van kleur als ongewenst beschouwde. 'Mijn leeftijdgenoten wezen me af, zo ervoer ik dat.'

In Geef nooit op, een boek waarin ze persoonlijke verhalen afwisselt met lessen over de kracht van zelfontplooiing, beschrijft Evaristo hoe ze opgroeide in een groot gemengd gezin in Zuid-Londen. Als vierde van acht kinderen van een Nigeriaanse immigrantenvader en een katholiek Iers-Engelse moeder afkomstig uit de middenklasse, viel ze op 'als kind met een bruine huid in een overwegend witte omgeving'. Het grote gezin - haar vader was loodgieter met een eigen zaak en raadslid voor de Labourpartij - had in de witte volkswijk een uitzonderingspositie. De familie moest racistische scheldwoorden dulden en gewelddadige aanvallen op het huis doorstaan door 'tuig dat zo regelmatig bakstenen naar onze ramen gooide dat we wisten dat na ze na reparatie meteen weer ingekinkeld zouden worden'.
Familiefoto's

Die uitsluiting, of het besef 'anders te zijn', diende zich telkens opnieuw aan. Zo had de oma van Evaristo bijvoorbeeld geen foto's van de kleinkinderen tussen de andere familiefoto's staan (behalve van één zus bij wie de huidskleur licht was uitgevallen) en werd ze, vermoedelijk vanwege haar vooruitstekende kaak, tijdens een auditie op een prestigieuze toneelschool apart genomen voor een korte inspectie van tanden en mond (alsof ze een paard of koe was). Ook worstelde ze met de kwestie hoe ze zich moest verhouden tot haar omgeving als 'half-caste' - indertijd de term voor mensen van gemengde afkomst. Ze schaamde zich als kind een tijdlang voor de donkere huidskleur van haar vader maar voelde zich, toen ze zich als volwassene in zwarte kringen bevond en een politieke zwarte identiteit ontwikkelde, juist minderwaardig omdat ze niet 'authentiek zwart' was. 'De beschuldiging dat je te wit was, was in mijn wereld de ergste belediging die er bestond ... Zo bezien was ik inderdaad 'schuldig', zowel qua afkomst als cultuur.'

Opgroeiend in het Engeland van de jaren zeventig en tachtig moest ze het allemaal maar zelf uitzoeken. En dat deed pijn. Haar gevoel van veiligheid werd van jongs af aan fundamenteel aangetast. 'Een kind ... moet het idee hebben dat het ergens bij hoort, maar als er al over je wordt geoordeeld voordat je je mond zelfs maar opendoet, krijg je dat gevoel niet.' Uit zelfbescherming ontwikkelde ze daarom 'een soort krachtveld' om zich heen. Iets, zo schrijft ze, dat ze nog steeds heeft.

Die houding - vanuit een onveilig gevoel een kracht ontwikkelen om je staande te kunnen houden in een witte wereld - is een belangrijk thema in het boek van Evaristo. Ook in twee andere, recente boeken komt dit onderwerp aan de orde. Schrijver en theatermaker Neske Beks (Antwerpen, 1972) en de Britse actrice en scenariste Michaela Coel (Londen, 1987) schrijven in respectievelijk Echo en Misfits hoe complex het is om je identiteit te ontwikkelen als je telkens wordt behandeld als een buitenstaander. Opgroeien in een westerse wereld, waar het dominante narratief wit is, betekent voor een kind van kleur meteen vragen stellen: over wie je bent, waarom je bent, hoe je bent. Niets is vanzelfsprekend - het privilege dat je als wit kind wel hebt - en dat zorgt voor een innerlijke complexiteit en een worsteling die deze drie schrijfsters nu, op een krachtige manier, naar buiten brengen.

'Het zichtbare racisme negeren en met rechte rug het meer verholen racisme trotseren', zo beschrijft Neske Beks de houding die ze vanaf haar jeugd aannam om zich staande te houden. In Echo, vernoemd naar het gedicht 'Echoes' van de Caraïbisch-Amerikaanse schrijfster Audre Lorde, maakt Beks via essays, speeches en brieven inzichtelijk wat het betekent om als Zwarte vrouw (de hoofdletter Z gebruikt ze als statement) stelselmatig niet gezien te zijn en wat dit met haar heeft gedaan. 'Hoe ouder ik word, hoe meer ik ertegenaan loop dat de pijn van het afgewezen zijn mijn basis is, mijn fundament. Een jeugd die erom draaide mezelf zo onzichtbaar mogelijk te maken en niet op te vallen. Want hoe minder je opvalt, hoe groter de kans op acceptatie.'
Vernedering

Beks, die zichzelf omschrijft als 'een dubbelbloedkind van een koffie-met-veel-melk-gekleurde Vlaams-Amerikaanse moeder en een blauwzwarte Gambiaanse vader met roots in Senegal', groeide op bij witte pleegouders in een dorp bij Antwerpen. Met een pleegmoeder die haar leerde zich te verweren tegen racistische aanvallen op de kleuterschool ('Als ze "vuile negerinnetet" zeggen, zegt gij gewoon terug dat zij vuile melkflessen zijn') en een pleegvader, die extreemrechts stemde, was de xenofobie in haar jonge jaren al voelbaar. Als tiener herinnert ze zich een voorval op de middelbare school waar de leraar geschiedenis de klas een raadsel voorlegde: 'Waarom blijven ngrs op een vitrine plakken?' Terwijl hij Beks aankeek gaf hij zelf het antwoord. 'Omdat hun lippen zich aan het glas vacuüm zuigen.'

Het was een incident dat ze thuis nooit aan haar ouders vertelde. De vernedering maakte haar niet kwaad, ze schaamde zich. Het waren dit soort momenten, schrijft ze, 'dat spiegeling van huidskleur je veiligheid bepaalt'. Met als gevolg een schaamte die nog steeds 'onder haar vel brandt' en die terugkomt wanneer ze zich als volwassen vrouw tot haar zoon richt. In een ontroerende brief, opgenomen in Echo, schrijft ze hem waarom ze er eind jaren tachtig voor kiest te verhuizen naar het progressieve Nederland. Ze wil daar haar kinderen opvoeden en niet 'in het naargeestige, racistische Antwerpen van mijn jeugd'. Het Amsterdam waar ze arriveert voelt aanvankelijk inderdaad als veilig grondgebied. Maar, zo schrijft ze, vanaf 9/11, de opkomst van Pim Fortuyn en Pauls Scheffers Het multiculturele drama(het NRC-artikel uit 2000 waarin hij schreef over de mislukking van de multiculturele samenleving) krijgt ze zo haar twijfels. Ze beschrijft haar angst dat de verharding van de samenleving haar zoon - 'eenentwintig, prachtig chocoladebruin en een meisjesmagneet' - zal raken. En hoe ze bevriest wanneer ze hem de vraag wil stellen of hij zich soms wel eens onwelkom voelt, of dat hem wel eens de toegang wordt geweigerd op basis van kleur. Het is een gevoel waarin haar schaamte zich wortelt. Nadat ze hem de vraag toch stelt, antwoordt hij, licht grinnikend, dat hij nooit etnisch geprofileerd is. Ze herkent het mechanisme. Want onder die schijnbaar nonchalante houding, die zij vroeger ook aannam, gaat iets fundamenteels schuil. 'Nu weet ik dat het er alles mee te maken had dat ik me onzichtbaar wist te maken.'
Misfits

Krachtig overkomen om daarmee een gevoel van onveiligheid en onzichtbaarheid te verbergen, dat is waar Michaela Coel eveneens over schrijft in haar manifest Misfits, een wat rommelige uitwerking van de MacTaggart-lezing die ze in 2018 op het Edinburgh Festival uitsprak. Opgroeiend met haar moeder en zus in de Square Mile, een wijkje met sociale woningbouw tussen de moderne wolkenkrabbers van de Londense city, was de haat voelbaar wanneer er stront door de brievenbus werd geduwd. Maar op de middelbare school, waar ze zich omringde met andere 'misfits' - meisjes met een Afrikaanse of Caribische achtergrond - leerde ze al snel te overleven: 'Van negen tot drie uur was het lachen of uitgelachen worden. En na drie uur? Naar huis, naar je kamer om te huilen - in mijn geval ook om mijn buitenboordbeugel vast te maken'.

Het zijn gebeurtenissen waardoor Coel (1987), die inmiddels successen boekt met dramaseries als Chewing Gum enI May Destroy You, zichzelf een buitenstaander voelde. 'Niet op een slechte manier, ik stond niet buiten in de regen. Ik was er gewoon niet', schrijft ze. Ze voelde zich, inderdaad, onzichtbaar. Niet alleen omdat ze niet werd gezien, maar ook, zo schrijft ze, omdat 'misfits' zoals zij alles uit de weg gaan wat het gevoel van veiligheid en erbij horen in gevaar brengt. Een paradoxale houding, die misschien sterk oogt maar waar ze, zo schrijft Coel in Misfits, los van wil komen. Veiligheid, concludeert ze, kan ze uiteindelijk alleen in zichzelf vinden door zichzelf te bevragen en te stoppen met de gewoonte 'om pijn te kaderen'. Haar persoonlijk manifest is daar het uitgesproken bewijs van. De nogal vage beschouwingen over nachtvlinders daargelaten, laat ze namelijk zien hoe ze haar ervaringen, die ze als traumatisch heeft ervaren, weet om te buigen tot verhalen en bevestigt daarmee dat het therapeutisch werkt om 'het narratief van pijn actief om te zetten in een narratief van hoop en zelfs humor'.

Datzelfde toont Evaristo, die met haar losse schrijfstijl de kunst bezit om het tragische met het humoristische te verbinden, in Geef nooit op. Met haar boek wil ze toekomstige generaties een hart onder de riem te steken. Want hoezeer het zichtbare en verholen racisme haar onderuit heeft gehaald, het 'krachtveld' dat haar beschermde tijdens het opgroeien, heeft haar uiteindelijk als performer en schrijver - met als hoogtepunt de ontvangst in 2019 van de prestigieuze Booker Prize voor haar boek Girl, Woman, Other - ver gebracht. Vanuit de zoektocht naar haar eigen identiteit kan ze nu bijdragen aan een groter bewustwordingsproces: wat het betekent om gezien te worden als 'de ander' of 'onzichtbaar' te zijn. Dezelfde boodschap spreekt ook uit het persoonlijke boek van Beks. Buitensluiting, laat zij overtuigend zien in haar brieven, speeches en essays, werkt ook door op een niveau dat niet meteen zichtbaar is. De effecten ervan tasten hart en ziel aan van de mensen die het ondergaan. En het is tijd om deze verhulde pijn te benoemen. Ze doet dat, zowel met confronterende woorden naar haar witte omgeving maar ook door, net als Evaristo en Coel, eerlijk te kijken naar wat de buitensluiting met haarzelf heeft gedaan en de vraag te stellen: 'hoe kan ik een activist zijn zonder er onontkoombaar zuur en bitter van te worden?' Haar antwoord schuilt in de hoop dat toekomstige generaties het als vanzelfsprekend zullen gaan beschouwen om echt te luisteren naar de stem van die ander. In een van de brieven aan haar zoon schrijft ze aftastend dat ze het gevoel heeft dat de multiculturele samenleving voor hem wel lijkt te werken. En dat ze ziet hoe sterk hij in zijn schoenen staat. 'Jij staat naast me te schitteren: er kan niemand om jou heen. Of zijn dat de typische woorden van een moeder?'
Terug