NL
.
Haïti, een republiek van ngo’s
Haïti, een republiek van ngo’s
In Haïti werd een president vermoord. Zijn dood en de vervolging van zijn vermoedelijke moordenaars maakt voor de gemiddelde Haïtiaan geen enkel verschil uit. De vermoorde president en zijn recente voorgangers waren stuk voor stuk keizers zonder kleren en marionetten van de VS. De mainstream-pers spitst zich vandaag toe op wie nu precies de moordenaars zijn van de president en vergeet daarbij de essentie van de Haïtiaanse realiteit: het land heeft als natie nooit een schijn van kans gekregen.

Haïti werd door de koloniale grootmachten als een permanente dreiging behandeld sedert zijn slavenrevolutie in 1804. Democratie zou er nooit meer worden toegelaten. Als strafmaatregel voor de Haïtiaanse onafhankelijkheid eiste de Franse regering zelfs 22 miljard dollar van het land als 'afkoopsom' voor de onafhankelijkheid. Die afbetaling liep tot 1947.

Na de Tweede Wereldoorlog verloren de Europese koloniale machten hun greep op de wereld. De VS namen het van hen over. De door de VS gesteunde dictatuur van vader en zoon Duvalier (1957-1986) zoog het land dertig jaar lang leeg. De paramilitaire formatie van François Duvalier - de Tonton Macoute, getraind door VS-militairen - vermoordde in die periode meer dan 50.000 mensen. Uiteindelijk braken er dan toch massale protesten uit en werd het Duvalier-regime de laan uitgestuurd.

Het nieuwe land begon aan zijn democratische opbouw met een bezoek van het IMF. Samen met het VS-ministerie van Buitenlandse Zaken legde het IMF Haïti een verplicht regime van 'vrije handel' op. De afschuwelijke schuldenberg, opgebouwd door de Duvaliers ('Papa Doc' en 'Baby Doc') werd op geen enkele manier kwijtgescholden en legde meteen een nieuwe strop om de nek van Haïtiaanse politici die het allicht beter voor hadden met hun volk.

De Duvaliers waren omvergeworpen door de Lavalas-beweging onder leiding van een katholieke priester, Jean-Bertrand Aristide. Bij de eerstvolgende verkiezing kreeg de rechtse kandidaat, Marc Bazin, een oud-medewerker van Duvalier en van de Wereldbank, financiële steun vanuit het buitenland. Toch werd hij verslagen door Aristide. Nog vooraleer die kon worden ingezworen, was er al een staatsgreep door Duvalier-aanhangers die op haar beurt ongedaan werd gemaakt door een massale mobilisatie van het volk.

Nadat Aristide dan toch voor acht maanden aan de macht was gekomen, werd hij door Raoul Cédras opnieuw afgezet. Cédras, leider van een door de CIA gesteunde gangsterbende, en een protégé van het International Republican Institute uit Washington, viel meteen de Aristidesupporters aan. Het geweld dat werd aangericht door Cédras was zo mogelijk nog gruwelijker dan dat van de Duvaliers. Cédras' harde hand rekende genadeloos af met het embryo van de sociale maatschappij waar de Lavalas-beweging van gedroomd had.

Maar de druk van onderuit bracht Aristide in 1994 toch weer terug. Hij werd echter gedwongen het Governor's Island Accord te ondertekenen waarmee hij internationale instellingen en ngo's toeliet Haïti te besturen. Haïti, het land waar de democratische instellingen systematisch waren uitgehold, was nu helemaal overgeleverd aan dictaten van buitenaf.

Toen Aristside in 1994 de macht weer overnam was dat onder de slechtst mogelijke voorwaarden die hem door VS-president Clinton en Wall Street waren opgelegd. De VS wilden van Haïti een maquiladora maken, geen land. Het land moest een zone met assemblagefabrieken worden ten dienste van transnationale ondernemingen.

Omdat Haïti in 1998 niet langer in staat was zijn schulden af te betalen, klopte het aan bij het IMF dat het land extra bezuinigingen oplegde. Aristide kon echter niet voldoen aan de gestelde eisen, waardoor het IMF de regering alle verdere leningen ontzegde. Maar de Amerikaanse ngo's mochten dat wél, waardoor al het geld naar hen stroomde.

Het VS-agentschap USAID (US Agency for International Development), opgericht in 1961 en gefinancierd door de VS-regering, geeft een substantieel deel van haar fondsen door aan ngo's. Organisaties die door USAID worden gesteund zagen hun budgetten na 1998 spectaculair groeien (In 1995 verplichtte het VS-Congres USAID om niet langer geld te geven aan de Haïtiaanse regering, maar enkel nog aan ngo's). Datzelfde jaar vertelde Clintons adjunct-minister van Buitenlandse Zaken, Strobe Talbott, de Senaat: 'zelfs na ons vertrek in februari 1996 blijven wij er de controle houden via USAID en de privésector.' Hij verwees hiermee naar de geplande terugtrekking van VS-troepen die het jaar voordien Haïti waren binnengevallen.

USAID sponsorde duizenden ngo's die allemaal de VS-agenda ondersteunden in het land. USAID duwde de Haïtiaanse boeren naar een export-georiënteerde landbouw. Het probeerde de lage minimumlonen laag te houden door wetten over de verhoging van het minimumloon tegen te werken (bijvoorbeeld toen Aristide in 1991 voorstelde het minimumloon van 0,33 dollar per uur op te trekken naar 0,50 dollar per uur). Het leverde voedselhulp door rijstoverschotten van Amerikaanse boeren op te kopen en ze gratis te bedelen in Haïti waardoor de Haïtiaanse rijstproductie kelderde. Het promootte privéscholen, ondermijnde staatsscholen en alfabetiseringscampagnes voor volwassenen. Het omzeilde importtaksen op voedselleveringen waardoor VS-kippenkwekerijen minder gewenst kippenvlees op de Haïtiaans markt konden droppen aan prijzen waar lokale kleinveeboeren niet tegenop konden, de sector ging dan ook zo goed als failliet.

In 2009 en na enorme druk vanuit het volk, keurde de Haïtiaanse regering een wet goed dit het minimumloon optrok van 0,24 dollar per uur tot 0,61 dollar per uur. Met dat nieuwe loon zou een Haïtiaanse arbeider 5 dollar per dag verdienen, hoewel een gemiddeld gezin van vier minimum 12 dollar per dag nodig had voor zijn levensonderhoud.

De textielfabrieken die in Haïti actief waren deden hun beklag over de wet bij de VS-ambassadeur die er via lobbywerk in slaagde de wet weer ongedaan te laten maken. David Lindwall, Adjunct-Diensthoofd op de VS-ambassade, zei dat de nieuwe minimumwet 'geen rekening hield met de economische realiteit.' Dankzij de tussenkomst van de VS-ambassade steeg het minimumloon in Haïti slechts met 0,07 dollar waardoor de grote winstmarges van Fruit of the Loom, Hanes en Levi Strauss weer waren veilig gesteld.

Aristide was in 1991 van de macht verdreven met een coup, maar zijn terugkeer in 1994 bleek een lege doos. Het akkoord dat hij had moeten ondertekenen, betekende dat hij erop moest toezien hoe ngo's de democratische mogelijkheden van het land ondermijnden. Desondanks won Aristide de verkiezingen in 2000. Hij ging enthousiast van wal door aan Frankrijk de terugbetaling te vragen van de 22 miljard die Haïti destijds had moeten neertellen voor zijn onafhankelijkheid.

Het was echter duidelijk dat extreemrechtse groepen die geleidelijk aan Lavalas-sympathisanten begonnen te vermoorden steun kregen vanuit het buitenland. Het was ook duidelijk dat zij op die manier Aristide wilden ondermijnen. Bij een tweede coup in 2004 werd hij - met zijn eigen woorden - 'ontvoerd'. Maar niet alleen Aristide werd ontvoerd, met hem viel de hele Haïtiaanse staat niet alleen in duigen, hij werd zelfs - net als Aristide - onzichtbaar.

Haïti werd een republiek van ngo's net als zoveel andere landen waar de democratische instellingen werden ontmanteld. Daar heeft de net vermoorde president niets aan willen en kunnen veranderen. De kans dat uit de chaos een volksbeweging groeit onder leiding van bonafide Haïtianen die willen breken met hun jammerlijke verleden is klein, omdat ze het onvermijdelijk zullen moeten opnemen tegen de allesoverheersende VS-belangen in het land.
Terug